Hoe kan ik tijdens de reken-wiskundeles werken aan de woordenschat van de leerlingen?
Bij het werken aan de woordenschat speelt de leerkracht een belangrijke rol in het verhelderen en gebruiken van (wiskundige) begrippen. Je leert hoe de leerkracht moeilijke woorden uitlegt en betekenisvol maakt voor de leerlingen. Ook ontdek je hoe leerlingen worden gestimuleerd om deze begrippen actief te gebruiken tijdens de les.
- Eerlijk delen: Leerlingen uit groep 1-2 gebruiken een balans om een hoeveelheid eerlijk te verdelen. De leerkracht stimuleert hen om begrippen als ‘evenveel’, ‘even hoog’ en ‘even zwaar’ te gebruiken (video 4).
- Joris, de kok en de klok: Leerlingen leren hoe ze globale tijdstippen kunnen verwoorden, zoals ‘bijna 11 uur’, ‘net iets over 9 uur’ of ‘ongeveer half 12’ (video 2 (groep 3) en video 3 (groep 5)).
- Puzzelen: De Leerkracht legt met behulp van een getallenlijn uit wat het begrip ‘verschil’ betekent (video 1, grootste en kleinste verschil).
- Naar verhouding de beste: De leerlingen gebruiken termen die te maken hebben met verhoudingen, zoals ‘meeste’, ‘meer dan’, ‘minste’, ‘minder dan’, ‘meer dan de helft’, ‘procent’, ‘breuk’, ‘evenredig’, enzovoort. De leerkracht herhaalt en benadrukt deze termen in de klas (video 1 en 2).
Bij deze videofragmenten kun je de volgende kijkvragen gebruiken:
- Waar zie je in het videofragment het gebruik van dagelijkse taal, schooltaal, vaktaalwoorden en wiskundige formuleringen?
- Wat doet de leerkracht om moeilijke woorden te verhelderen?
- Hoe moedigt de leerkracht leerlingen aan om (wiskundige) begrippen actief te gebruiken?
Vaktaal
Leg in je eigen woorden uit hoe de onderstaande vaktaalwoorden tot uiting komen in de getoonde praktijkvoorbeelden. De lijst is niet uitputtend; voeg zelf andere relevante begrippen toe die je kunt gebruiken om dit onderwerp te analyseren.
- Dagelijkse woorden – informele (niet wiskundige) taal uit het dagelijks leven die leerlingen gebruiken om situaties te beschrijven.
- Schooltaalwoorden – taal die kenmerkend is voor de schoolcontext en wordt gebruikt om instructies te begrijpen en samen te leren.
- Vaktaalwoorden – specifieke wiskundige begrippen.
- Wiskundige formuleringen – taal waarmee wiskundige handelingen, redeneringen en denkstappen worden verwoord.